Het atelier van Michael Berkhemer

Geen zwerfvuil

Op een frisse, maar zonnige lentedag, schuifelt een gestage hoeveelheid toeristen door Amsterdam. Via een hek en een smalle gang tussen de huizen komen we van de hectiek van de stad in het serene atelier van Michael Berkhemer terecht. Een plek met geschiedenis, aldus de kunstenaar; nog steeds in handen van een familie die aan het begin van de 20ste eeuw tot de pioniers van de Nederlandse filmindustrie behoorden, was dit pand ooit in gebruik als filmstudio, om daarna te transformeren tot een Egyptisch naaiatelier en uiteindelijk in zijn bestemming als een eclectisch verzamelgebouw, met kantoren, woningen en ateliers, te berusten.

Helder

In Berkhemers opvallend lege en lichte ruimte werpen de grote ramen links daglicht op een open kast, speciaal gemaakt om schilderijen en wandsculpturen rechtop in te kunnen zetten; onderin de grote, bovenin de kleine exemplaren. Aan de muren hangt enkel werk van hem zelf. ‘Thuis heb ik van alles hangen, maar hier wil ik mijn eigen wereld hebben.’ Wel staan er houten beelden, uit Kalimantan (Borneo) en Papoea Nieuw-Guinea. ‘Die kunnen geen kwaad.’ Ze leiden hem niet af, vervullen alleen een decoratieve functie. ‘Ik zie ze niet als confronterend met mijn eigen werk, wat met werk van andere kunstenaars vaak wel zo is.’
Berkhemer heeft recent grote opruiming gehouden. Veel werken zijn weg, letterlijk aan flarden gesneden. ‘Flardéren noem ik dat dan. Weg met die handel.’ Het was een lastige, maar nuttige operatie, aldus Berkhemer. ‘Als ik tien dingen gemaakt heb vanuit één idee dan zijn er vijf slecht, drie mwoah en twee goed. Nou, misschien één goed en één beter.’ Bij twijfel vroeg hij zijn vrouw om raad. Berkhemer is tevreden met het resultaat. ‘Als ik nu onder een tram kom, dan is dit wie ik ben. Er is geen zwerfvuil meer.’

De leegheid van zijn atelier lijkt Berkhemers schilderijen en wandsculpturen te reflecteren; een opgeruimde geordendheid, die – als je dichterbij kijkt – duizenden kleine verrassingen bevat in de vorm van structuren, oneffenheden en opeenvolgende kleurlagen die zichzelf aan de randen en door transparante lagen verraden. Maar de eerste indruk is rust en eenvoud. De weinige objecten die in Berkhemers atelier staat staan, zijn nuttig, maar mooi, zoals de stoel – een Friso Kramer – die hij van zijn ouders kreeg toen hij naar school ging; ‘Om me te stimuleren. Maar dat is niet echt gelukt.’ Zijn schildersezels heeft hij al een hele tijd geleden weggedaan, Berkhemer werkt op schragen, met zijn werk horizontaal. Schetsen doet hij aan een bureau, tubes acrylverf en bakjes om te mengen liggen op een aangrenzende tafel, zij aan zij met tape, kartonnetjes en potten met kwasten. Opvallend zijn de vele waaierkwasten; ‘Daarmee kan ik de verf aan de oppervlakte aanbrengen, zonder alles dicht te smeren.’

Niet abstract

Uit een ladekast haalt Berkhemer een klein schilderijtje dat hij zo’n veertig jaar geleden maakte; diagonale lijnen en allerlei tinten groen overheersen, alsof je laag bij de grond tussen het gras zit. Aan de andere kant van zijn atelier hangt Berkhemer een lichtgekleurde, houten wandsculptuur op, uit een serie die hij in de laatste zes jaar gemaakt heeft; langwerpige, verticale vormen, met daarin een of enkele lijnen gekerfd, vaak licht gebogen. ‘Natuurbeleving roep je niet het sterkst op door een bloem te schilderen. Kijk, dit is toch veel meer natuurbeleving? Bij het schilderij is het alsof je door een venster kijkt.’

De meest recente schilderijen van Berkhemer tonen kleurvlakken, en lijnen, in oneindige variaties. Hij werkt in series die samenhangen met een specifiek formaat waarbinnen hij de mogelijkheden van de lijnen, richtingen, dynamiek en vlakverdeling onderzoekt. Abstract wil Berkhemer zijn werk niet noemen. In het artist statement op zijn website staat dat natuur zijn inspiratiebron is. Maar tijdens het gesprek mijmert hij dat dit misschien maar eens aangepast moet worden; het gaat meer om omgeving.

En dat kan ook de stedelijke omgeving zijn; elke dag, tijdens zijn wandeling van huis naar atelier en weer terug, zijn er dingen die Berkhemer opvallen, waar hij even bij stilstaat; ‘Bijvoorbeeld fragmenten van stoepen, deuren, graffiti, patronen; vormen waar ik op dat moment mee bezig ben.’ De zichtbare werkelijkheid blijft het uitgangspunt, maar ‘alles wat ik zie, transformeer ik tot eenvoud. Ik probeer te reduceren. En dat bevalt me heel goed. Ik ben formeel, maar ik doorkruis het meteen.’ Min of meer letterlijk; de streng afgebakende strepen komen tot stand door eerdere verflagen af te dekken met tape – die Berkhemer in allerlei breedtematen tot zijn beschikking heeft – en er vervolgens met kartonnetjes en kwasten met verf overheen te gaan, waardoor een weerbarstige, gelaagde, soms streperige verfhuid ontstaat die een dialoog aan gaat met de heldere compositie.

De balans tussen controle en spontaniteit is opvallend. De compositie staat van tevoren vast; Berkhemers schetsen – of eigenlijk; werktekeningen – maakt hij op millimeterpapier. De spontaniteit zit in de structuur van de verfhuid en de kleuren die hij mengt, daar heeft hij vooraf geen vastomlijnd plan voor. ‘Het is spelen met kleur. Als ik dat aspect ook van tevoren uitstippel, zet ik mezelf klem. Ik wil die vrijheid houden.’

I’m the artist!

Berkhemer komt het liefst elke dag in zijn atelier, maar daarvoor is hij te veel op pad; op de dag dat we hem spreken, is hij net terug uit Dresden, om de opening bij te wonen van een tentoonstelling gemaakt door een bevriend conservator. ‘Het was allemaal veel te gezellig en veel te laat en veel te veel.’ Ook komt hij met zijn vrouw regelmatig in Venetië en verblijft hij vaak voor langere tijd in St. Louis in de VS, ‘een saaie, uitgestrekte stad, zo groot als de provincie Utrecht.’ Berkhemer laat me een boek zien, gemaakt door een bevriend architectuurfotograaf, met beelden van een desolate stad, waarin de troosteloos ogende huizen grote stukken onbegrijpelijke leegte tussen zich laten. Het was kunsthistoricus Cornelia Homburg die Berkhemers werk eind jaren negentig in de VS introduceerde en algauw volgde er een uitnodiging van Maryanne Simmons van Wildwood Press om met haar te komen werken. ‘Het is een grafisch atelier, met gigantische persen. Ze vraagt allerlei mensen, vooral niet-grafici en ze werken met verschillende technieken, afgestemd op de wensen van de kunstenaars. In mijn geval wordt er gewerkt met foam dat naar het ontwerp wordt gesneden en dan ingerold met inkt, zodat er heel scherpe lijnen ontstaan.’ Berkhemer voelt door het formaat, de ruimte en het vertrouwen een grote vrijheid om te werken. ‘Het is net als buitenspelen. In de zandbak. Ik kom met een schets en verder hoef ik nergens voor te zorgen. Ik hoef alleen maar na te denken over de kleur, van die dure Franse ets-inkt, en die te mengen.’ De inkoop van alle materialen, de gigantische oppervlakten die moeten worden gerold, het papier dat moet worden geweekt; hij hoeft er zich er niet mee bezig te houden, dat doen anderen voor hem. Maar is het al laat op de avond en het werk nog niet af, dan roept hij gerust: ‘We’re not done!’ Waar hij bij tegensputtering aan toevoegt; ‘I’m the artist!’ Echt waar? ‘Ja, ze vragen me niet omdat ik zo gezellig ben. Ze vragen me omdat ze mijn werk goed vinden.’

7 juni 2016
Tekst: Jantine Kremer
Foto’s: Jolanda Meulendijks