Het atelier van Couzijn van Leeuwen

Het vermoeden van ruimte en tijd

 

Het atelier van Couzijn van Leeuwen is, net als zijn werk, tegelijkertijd rijk en sober; rijk in details, hoeveelheid en diversiteit, uitermate sober in materiaal en kleur. De loods wordt beheerst door kartonnen sculpturen: van zijn bekende, rijk versierde kasten, tot exotische vogels met lange staarten. De eindeloze reeks fantastische plantmotieven en vogels wordt hier en daar doorbroken met felrode besjes, diepgroene bladeren en het gefladder van gele vogeltjes die rakelings over mijn hoofd naar hun voederbakjes zeilen. Couzijn van Leeuwen heeft meerdere vaste werkplekken, maar dit atelier net buiten het centrum van Amersfoort is letterlijk zijn thuisbasis; het is werk- en woonplek in één, zijn keuken en zijn hoogslaper op en tussen zijn werk gebouwd. Maar niet voor lang meer, het pand aan de Eem wordt gesloopt. Nog voor het einde van het jaar moet Van Leeuwen op zoek naar iets anders. ‘Wat een atelier in ieder geval moet zijn is stil, ruim en hoog. En licht is ontzettend belangrijk, het liefst bovenlicht.’ Zijn huidige atelier, een loods met een grote roldeur, heeft deze eigenschappen. De ramen in de muren schermt Van Leeuwen bijna altijd af met karton, om de buitenwereld buiten te houden. Hij wil in zijn eigen wereld vertoeven, dat is genoeg. ‘Dat pas als je naar buiten gaat, na te hebben gewerkt of een gesprek hebt gevoerd, je denkt; Hé, er is ook nog een buiten.’

 

Weinig weerstand

Van Leeuwens onderwerpkeuze is divers; dieren en planten zijn geliefd, maar daartussen houden zich ook mensfiguren op en natuurlijk allerlei meubelstukken waarvan het de vraag is of ze gebruikt kunnen worden. Afgelopen zomer schreef Van Leeuwen voor een tentoonstellingstekst dat hij het fijn vindt om dingen te maken en ‘eigenlijk maakt het niet uit wat het is.’ Nu vraagt hij zich af of dat wel zo is. ‘Ik heb het zelf niet zo door, maar het moet natuurlijk wel ergens aan raken. Behalve in het technische proces is er geen ratio, geen bedoeling, het enige dat ik beoog is dat het op de een of andere manier bij me past.’ Zijn werkwijze is dan ook het best te omschrijven als gevoelsmatig. Zonder al te vastomlijnde plannen begint Van Leeuwen en laat het werk onder zijn handen groeien met zo weinig mogelijk weerstand. Sommige van zijn keramieken terraria maakt hij, voor de structuur, in een kartonnen doos. Hij werkt dan bijna geheel op de tast, alleen van boven heeft hij een beetje zicht op wat hij doet. Ook heeft Van Leeuwen speciale voelsprieten voor vormen die hij alleen nog maar uit de alledaagsheid hoeft te vissen. ‘Ik hoef niets te bedenken.’ Zo ontstaan er bijvoorbeeld dierfiguren van mandarijnenschillen en een octopus uit een plantwortel die in sliertjes gesneden boven de kachel prachtig opkrult. Ook voor zijn schaduwfoto’s hoeft Van Leeuwen ‘alleen maar op stap te gaan met zonnig weer’, naar een bos vol sloten waarvan hij de wisselende waterstanden goed kent. ‘Dan ga ik echt werken, dan ben ik helemaal ín het bos, uiterst scherp.’ Als de foto’s eenmaal gemaakt zijn, doet hij er helemaal niets meer aan. ‘Ik ben niet uit op iets artistieks, ik ben zo lui mogelijk.’

 

Getrouwe weergave van het origineel

Vragend naar zijn dagindeling antwoord Van Leeuwen: ‘Ik sta op en begin met werken. Dat is mijn ritme.’ Voor Van Leeuwen is zijn werk in alle lagen van zijn leven doorgedrongen, onmisbaar. ‘De kennismaking met dat ding dat we kunst noemen, heeft mijn hele leven aangestuurd. De kunst, dat ongrijpbaar ding, heeft mij laten zien en geleerd en laten zoeken en verhuizen en laten horen en voelen wat ik met mezelf aan moet, wat mijn plaats is, hoe mijn zintuigen werken, wat mijn motieven zijn, mijn zogenaamde miskleunen en zogenaamd succes, en mijn oorsprong of oorspronkelijkheid en vermoeden van bestemming, getekend met een vinger op een beslagen ruit.’ Van Leeuwen pakt er een citaat bij uit Het Boek der vissen: ‘‘Getrouwe weergave van het origineel’, dat is het, dat doe ik.’ Zijn werk, zijn oeuvre, lijkt niet zozeer te reflecteren wat hij om zich heen ziet, maar meer wie hij is, op zoek naar de meest getrouwe weergave van zijn eigen oorspronkelijkheid.

 

Totale vrijheid

Het is dan ook niet gek dat meningen over zijn werk een kwetsbare zaak zijn. Liever leest Van Leeuwen geen teksten over zijn werk en scherpe opmerkingen die onbegrip ventileren gaat hij uit de weg. ‘Blijkbaar gaat het over iets belangrijks, over iets wezenlijks. Eigenlijk zou ik wel een geheim atelier willen. Ik beweeg me in een wereld van vrijheid, maar ook weer niet helemaal. Als ik, zoals nu voor De Vensterbank, iets van piepschuim maak, dan moeten galeries daar ook weer aan wennen, dan moet je het echt weer opnieuw verkopen.’ ‘Er zou eigenlijk een nieuwe taal moeten worden verzonnen om iets over kunst te zeggen. Hoe minder het in woorden kan worden uitgedrukt, des te beter het concept. Hoe minder je het kunt vangen, hoe beter.’ Opnieuw gaat Van Leeuwen op zoek naar een papiertje met een handgeschreven citaat. In de Deense paardencoach Klaus Hempfling vond Van Leeuwen, zelf ook paardrijdliefhebber, een verwante geest. ‘Wanneer men de weg terug tot in de oneindigheid vervolgt tot aan de grenzen van het niet existentiële vindt men daarin een poort die niet meer is dan het vermoeden van ruimte en tijd.’ En daarmee is misschien iets gezegd over wat het is dat Van Leeuwen beweegt. Maar dat is in elk geval slechts een vermoeden.

 

29 september 2013

Tekst: Jantine Kremer

Foto’s: Jolanda Meulendijks